Zaterdag 24 juni, 20.00 uur


Narratio Quartet  
  Johannes Leertouwer, viool (Antonius et Hieronymus Fr. Amati, Cremona 1619)
  Anneke van Haaften, viool (Hendrik Jacobs, Amsterdam 1699, haar ter beschikking gesteld door het NMF)
  Dorothea Vogel, altviool (Ludovico Rastelli, Genova, ca. 1800)
  Viola de Hoog, cello (Giovanni Battista Guadagnini, Milaan ca.1750, haar ter beschikking gesteld door het NMF



PROGRAMMA


Strijkkwartet in Bes groot opus 130 (November 1825):
1 Adagio ma non troppo - Allegro
2 Presto
3 Poco scherzoso. Andante con moto ma non troppo
4 Alla Danza tedesca. Allegro assai
5 Cavatina. Adagio molto espressivo
6 Grosse Fuge
  - Overtura. Allegro
  - Meno mosso e moderato
  - Allegro Fuga
  - Meno mosso e moderato
  - Allegro molto e con brio


Pauze (10 minuten)


Strijkkwartet in F groot opus 135 (Sept-Okt 1826):
1 Allegretto
2 Vivace
3 Assai lento, cantante e tranquillo
4 (Der schwer gefaßte Entschluß) Grave,
  ma non troppo tratto. Allegro


Toelichting
De strijkkwartetten van Beethoven, misschien wel het heiligste huisje in de wereld van de kamermuziek, bestaansreden voor het Narratio Quartet, door alle beroemde kwartetten gespeeld, van alle kanten geanalyseerd, door de eeuwen heen vaak als 'onbegrijpelijk' of 'onspeelbaar' gedefinieerd hier op historisch instrumentarium uitgevoerd, prachtige darmsnaren, oude strijkstokken, originele articulaties, extreem lange fraseringsbogen …
Nog steeds zijn de strijkkwartetten die dit repertoire op historische instrumenten spelen wereldwijd op de vingers van één hand te tellen. Het Narratio Quartet behoort tot dit selecte gezelschap.

Johannes Leertouwer  is initiatiefnemer en artistiek leider/dirigent van de Nieuwe Philharmonie Utrecht, eerste violist van het Narratio Quartet en treedt op als solist, kamermuziekspeler en dirigent. Hij was jarenlang concertmeester van het Barokorkest van de Nederlandse Bachvereniging, is sinds de oprichting violist van Ensemble Schönbrunn, doceert viool aan het Conservatorium van Amsterdam en is studieleider van de Sweelinck Academie onderdeel van dit conservatorium.

Anneke van Haaften is violiste in het Barokorkest van de Nederlandse Bachvereniging en de Nieuwe Philharmonie Utrecht en treedt op in ensembles en orkesten zowel op moderne als op historische instrumenten. Daarnaast speelt zij regelmatig recitals voor viool solo waarin beide instrumenten aan bod komen.

Dorothea Vogel, zwitserse van geboorte, studeerde achtereenvolgens in Winterthur bij Rudolf Weber, in de VS bij Paul Coletti en vervolgens bij David Takeno en Michaela Comberti in London. Dorothea is altvioliste in het Allegri Quartet (London) en treedt op met de engelse barokensembles Kings Consort en Florilegium.

Viola de Hoog is celliste van Ensemble Schönbrunn en het Narratio Quartet, was gedurende 20 jaar celliste van het Schönberg Kwartet; van de Nieuwe Philharmonie Utrecht het Kings Consort is zij eerste celliste, daarnaast doceert zij barokcello en kamermuziek aan de conservatoria van Amsterdam, Utrecht en Bremen alwaar zij recent is onderscheiden met een ereprofessoraat.

Programmatoelichting
Vorsten, aartshertogen en grafen, niet voor niets staan ze vermeld op het programma.
Van levensbelang waren ze voor componisten en musici in de 18de en 19de eeuw.
Beethovens stijkkwartetten zijn geschreven in een periode waarin de kamermuziek verhuisde van de vaak vorstelijke salon naar de concertzaal en waarin de kamermuziekensembles langzaam maar zeker niet meer bestonden uit een mix van uitstekende amateurs en professionals, maar slechts uit beroepsmusici.
De opdracht van Fürst Galitzin die Beethoven ertoe bracht na een onderbreking van 12 jaar weer strijkkwartetten te gaan schrijven heeft in twee jaar tijd, 1825-1826, vijf belangrijke werken opgeleverd, die publiek en musici destijds heftig bewogen, afkeuring, verwarring, ontroering en bewondering teweeg brachten.
Beethoven componeerde deze vijf kwartetten in zeer korte tijd, tussen 1824 en 1826, het jaar voor zijn dood, en heeft ze niet eens allemaal, opus 131 en 135 werden pas na zijn dood voor het eerst gespeeld, uitgevoerd zien worden, horen was toen al niet meer mogelijk.
Sommigen beweren dat juist het feit dat hij inmiddels zo slecht hoorde hem in de gelegenheid stelde geheel onbeïnvloed en compromisloos zijn eigen weg te volgen.
De reacties waren over het algemeen zeer heftig, zowel van musici als publiek, alhoewel die niet altijd overeenstemden.
Het voor dit concert geprogrammeerde opus 130 riep zelfs zeer tegenstrijdige emoties op.
Het publiek was zo gecharmeerd van de Cavatina dat die meteen bij de première gebisseerd moest worden en verfoeide de Grosse Fuge, het laatste deel van het kwartet. De recensenten beschreven deze fuga als een voorbeeld van babylonische spraakverwarring.
De musici beklaagden zich weliswaar over de hoge technische eisen die ze voorgeschoteld kregen, maar namen de Fuga in bescherming door op diplomatieke wijze aan Beethoven voor te stellen een publieksvriendelijker finale te schrijven en de Fuga een eigen leven te gunnen met een eigen opusnummer, opus 133.

Ter illustratie wil ik u enkele citaten van Karl Holz, tweede violist in het Schuppanzigh Quartett, over het repetitieproces voor de première van opus 130 niet onthouden.
Reactie aan Beethoven na de eerste doorspeelrepetitie:
" ..Met uitzondering van de fuga zal het makkelijk gaan. De cantilene in de cavatina is het eenvoudigste, afgezien van de voordracht, maar dat is Schuppanzighs zaak. Milord vraagt aan de cavatine niets te veranderen.." (Met Milord wordt eerste violist Ignaz Schuppanzigh bedoeld)
Over de fuga:
"..De triolen zijn in alle stemmen zeer moeilijk, omdat het vooral op duidelijkheid en haarscherp samenspel aankomt, maar ik geloof dat het, als ik het geoefend heb, toch makkelijk zal gaan, de onbekendheid met het spelen van zulke figuren maakt het in eerste instantie moeilijker dan het eigenlijk is."
Over de cavatina:
"…Milord kon één maat in het adagio niet begrijpen..." (Hier wordt gedoeld op een merkwaardig zuchtend ritme in de eerste vioolpartij)
Later echter bericht hij:
"…Hij zegt dat hij gisteren pas het adagio echt begrepen heeft en dat hij het van wellust nauwelijks nog spelen kon…"

Opus 135  is het laatste, het kortste en lichtvoetigste van de late kwartetten. Geschreven uit geldgebrek en omdat uitgever Schlesinger zo aandrong. Uitgave vond uiteindelijk pas plaats na de dood van de componist in september 1827.
De titel van het laatste deel 'Der schwer gefaßte Entschluß' en het thema dat Beethoven illustreerde met de vraag 'Muβ es sein?' en het antwoord: 'Es Muβ sein!' is door de eeuwen heen onderwerp geweest van vele diepzinnige verklaringen.

Mogelijk heeft Beethoven dit ironisch bedoeld gezien de volgende anekdote. Volgens Thayer, een biograaf van Beethoven, had een zekere heer Dembscher, die door het ongeduld van de componist ruzie met Beethoven had gekregen, aan de hierboven al genoemde Karl Holz gevraagd hoe hij het weer goed kon maken, daar hij een manuscript van Beethoven wilde lenen. Holz die goed bekend was met het feit dat Dembscher slecht van zijn geld kon scheiden, antwoordde, dat hem dat 50 florijnen zou kosten. Dembscher schrok: “Muβ es sein?” Holz: “Es Muβ sein”.

Inmiddels zijn wij musici van de 21ste eeuw en bent u publiek van 21ste eeuw.
Beethoven en zijn kwartetten houden ons nog steeds bezig, zijn voor het Narratio Quartet voorlopig zelfs reden van bestaan en nog steeds (of is het weer?) is het muziek 'für Kenner und Liebhaber', nog steeds en steeds meer wordt de muziek die niet 'for the millions' is in haar bestaan bedreigd en is afhankelijk van de toewijding van muzikanten en publiek, onlosmakelijk met elkaar verbonden.
Vorsten aartshertogen en grafen zijn er helaas niet meer.