Programmatoelichting Symphoniæ

door Matthijs van der Moolen

Bij zeventiende-eeuwse kamermuziek wordt al snel gedacht aan de virtuoze composities van Italiaanse, Duitse en Franse componisten. Kamermuziek uit de Nederlanden is minder bekend. Heeft u bijvoorbeeld al eens gehoord van Nicolaes a Kempis, Philipp van Wichel of Carolus Hacquart? Toch ontwikkelden deze musici een eigen stijl – een stijl die misschien het beste te omschrijven is als een mix van invloeden uit bovengenoemde landen, vermengd met wat Hollandse nuchterheid.

In dit programma richten we ons voornamelijk op kamermuziek uit de Zuidelijke Nederlanden – de regio waar in de eeuwen voorafgaand aan dit programma de beroemde Franco-Vlaamse polyfonie zich ontwikkelde met componisten als Orlando di Lassus, Giaches de Wert, Adriaen Willaert, Cipriano de Rore, Heinrich Isaac en Johannes Ockeghem. In het programma vindt u ook een kleine knipoog naar deze voorgangers, namelijk de diminuties (virtuoze, improvisatie-achtige versieringen) over ‘Cantate Domino’ van Giovanni Gabrieli, een van Lassus’ meest succesvolle studenten.

In 1647 reisde aartshertog Leopold Wilhelm van Oostenrijk af naar Brussel. Hij was hier de hoogstegezagdrager van de Zuidelijke Nederlanden. Ook was hij een groot muziekliefhebber – zó groot zelfs, dat hij zijn muziekkapel uit Oostenrijk meenam naar Brussel! Deze kapel kreeg hier de naam Musica di Camera, waarmee het onderscheid werd gemaakt met de Royale Chapelle, die voornamelijk de liturgie en kerkmuziek verzorgde voor het koninklijk paleis.
Volgens de loonlijsten bestond ensemble Musica di Camera uit veel Duitse, Oostenrijkse en vooral Italiaanse musici. Kapelmeester Gioseffo Zamponi, een ervaren componist in verschillende genres, leidde het gezelschap. Ook de beroemde Saksische organist Johann Caspar Kerll stond op de loonlijst. In 1649 vermelden de betalingsregisters dat de vioolvirtuoos Biagio Marini te gast was bij Leopold Wilhelm. Marini speelde als componist een belangrijke rol bij de ontwikkeling van de sonate en schrijfwijze voor de viool. En ook Johann Jacob Froberger, een van de grondleggers van de Stylus Phantasticus, heeft volgens deze registers in 1650 Brussel bezocht.

Op de loonlijst van musici in vaste dienst stond naast de eerste organist Kerll ook een Nederlander als tweede organist vermeld: Abraham van den Kerckhoven, van wie diverse orgelcomposities zijn overgebleven. Van hem hoort u in dit programma een fantasie op het klavecimbel.

De invloed van de vele buitenlandse musici in de Nederlanden was goed te merken. De kamermuziek in de ‘nieuwe’ zeventiende-eeuwse stijl ontwikkelde zich razendsnel. Vanaf de jaren ’40 van de zeventiende eeuw ging zelfs het van oorsprong traditionele uitgevershuis Phalesius in Antwerpen steeds meer bundels met recente Italiaanse vocale en instrumentale muziek publiceren, wat een groeiende belangstelling voor dit repertoire in deze regio laat zien. Bekende sonateverzamelingen van onder meer Dario Castello en Marco Uccellini werden in de jaren daarop in Antwerpen uitgegeven.

Deze vernieuwingen werden ook overgenomen door Nederlandse componisten, met name rond het Brusselse hof. Nicolaes à Kempis is daarvan een mooi voorbeeld. Als organist van de Sint-Goedelekerk in Brussel had hij goede connecties met het hof. In de jaren 1642-1649 publiceerde hij vier boeken met Symphoniæ, de naam die Nederlandse componisten vaak aan hun sonates gaven. De door Kempis voorgestelde instrumentaties van deze Symphoniæ doen sterk denken aan de sonates van Castello, Marini en hun Italiaanse collegæ: van solowerken voor viool of zink (cornetto) en basso continuo tot vijf- en zesstemmige werken waarin blaas- en strijkinstrumenten in verschillende combinaties gemengd worden. Als strijkers wordt naast violen ook regelmatig om alt-, tenor- en basviool gevraagd, en als blazers worden zink, trombone en fagot (dulciaan) voorgeschreven.

Philippus van Wichel was violist bij de hofkapel, maar speelde vaak mee met Musica di Camera.
Zijn collectie Fasciculus Dulcedinis (ruiker van zoetheid) werd postuum uitgegeven in 1678, en bevat voornamelijk werken voor strijkinstrumenten. Deze composities laten met hun gedreven ritmiek en vernieuwende harmonieën een volgende stap in de ontwikkeling van de kamermuziek zien. Van Wichel liet zich hierbij duidelijk inspireren door Italiaanse componisten uit de tweede helft van de zeventiende eeuw, zoals Giovanni Battista Buonamente en Alessandro Stradella.

Een laatste componist die niet op dit programma mag ontbreken is de in Brugge geboren Carolus Hacquart, één van de bekendste Nederlandse barokcomponisten. Waarschijnlijk heeft hij zelf niet veel invloed aan het Brusselse hof gehad, maar hij is zelf ongetwijfeld beïnvloed door het bloeiende muziekleven in de omgeving. Na jaren als koorknaap actief te zijn geweest in Gent vertrok hij naar de Noordelijke Nederlanden, om uiteindelijk tot het einde van zijn leven in Den Haag (ook onze thuisbasis!) te blijven wonen.

Om af te sluiten volgt hier een citaat uit het Aula Sacra Principium Belgii (het heilig hof van de vorsten van de Nederlanden, 1650) van Julius Chifletius, waaruit de waardering van het publiek voor de invloed van Leopold Wilhelm en zijn Musica di Camera blijkt:
“De doorluchtige Leopold Wilhelm, niet minder vooraanstaand wat betreft oorlogsroem dan in zijn ijver om vroomheid op te wekken, heeft de kunst [van de muziek] snel in ere hersteld. Door zangers uit Rome te laten overkomen, wilde hij met Italiaanse zachtheid de zang van de kapel aangenamer maken; daarom ontbood hij Gioseffo Zamponi. Het staat meer dan voldoende vast dat onder dienst leiding de musici zelf onder de indruk zijn van de zoete harmonie van de stemmen en dat de oren van de luisteraars sterk bewogen worden door de aangenaamheid van de bekoorlijke klanken.”